Goede inbraakbeveiliging is een combinatie van organisatorische, bouwkundige en elektronische maatregelen. De te nemen maatregelen dienen in overeenstemming te zijn met het inbraakrisico. Factoren die bijdragen tot de te nemen beveiligingsmaatregelen zijn o.a. de aard van het bedrijf, de ligging en de attractiviteit en waarde van de goederen.
Een richtlijn voor inbraakbeveiliging is VRKI (Verbeterde Risico Klasse Indeling) In de VRKI richtlijnen worden (in een matrix) diverse factoren gewogen, die leiden tot indeling in een risicoklasse. De risicoklasse bepaalt de minimaal te nemen beveiligingsmaatregelen, waarbij voor bepaalde opties (bestaande uit combinaties van beveiligingsmaatregelen) gekozen kan worden.
Het VRKI is toegesneden op woningen en het midden- en kleinbedrijf, bedrijven die veelal in één pand ondergebracht zijn. Voor overige bedrijven kan het als leidraad gebruikt worden waarbij rekening gehouden moet worden met de beperking van VRKI.
Beveiligingsfilosofie:
Het beste beveiligingsconcept is eerst detectie en vervolgens een bouwkundige barrière. Nadeel is dat een dergelijk systeem gevoelig is voor (opzettelijk) vals alarm van het detectie systeem. Toepassing van een dergelijk concept wordt gevonden bij de zwaardere inbraakrisico’s en militaire objecten. In het algemeen bestaat dit uit buiten detectie (detectie rondom de gevels of op het buitenterrein). De bouwkundige barrières worden binnen de detectiering geplaatst, daar waar de attractieve goederen zich bevinden. Met dit concept moet de indringer, nadat hij gedetecteerd is, nog door de bouwkundige barrière dringen, hetgeen tijd kost. De kans op een succesvolle inbraak neemt sterk af naarmate deze meer tijd kost en neemt af indien er na detectie te weinig tijd is om bij de goederen te komen en met de goederen te vluchten.
Organisatorische maatregelen:
Organisatorische maatregelen spelen bij inbraakpreventie een even grote rol als de bouwkundige en elektronische maatregelen. Hieronder volgen enige organisatorische maatregelen die van belang zijn bij het buiten houden van ongewenst bezoek:
Bouwkundige maatregelen:
Het doel van bouwkundige maatregelen is de inbreker te vertragen in zijn werkzaamheden.
Het is onmogelijk u alle informatie te geven die op het gebied van bouwkundige inbraakbeveiliging voorhanden is. Elk bedrijf dient op zijn eigen situatie in te spelen. Hieronder een selectie van onderwerpen die veelvuldig terugkomen m.b.t. bouwkundige inbraakbeveiliging.
Overheaddeuren:
Overheaddeuren zijn altijd goed bereikbaar en erg kwetsbaar. Ze vormen voor een auto/vrachtwagen die de deur ramt geen enkele barrière. Tevens zijn inbrekers die de deur bewerken met een motorzaag binnen 1 minuut binnen. De overheaddeuren van magazijnen waar zeer attractieve goederen bevinden (zoals digitale camera’s, gsm/telefoons, computerapparatuur e.d.), dienen verzwaard te worden. Veelal wordt een degelijke stalen deur of rolluik achter de overheaddeur geplaatst. Denk ook aan de toepassing van rampalen. Deze palen zijn gedurende de dag in de grond verzonken en kan men aan het eind van de werkdag omhoogtrekken en met een slot vergrendelen. Een oplossing om de gevels te beschermen is het plaatsen van betonnen blokken (of bloembakken) die kunnen voorkomen dat de gevel van een bedrijf met een vrachtwagen geramd kan worden.

stapelbare betonblokken kunnen gebruikt worden om een ramkraak tegen te gaan (Legioblock).

waar betonnen barrières niet toegepast kunnen worden (bv. bij toegangspoorten), kunnen road blocks gebruikt worden.
Hang- en sluitwerk:
Hang- en sluitwerk worden gecertificeerd door SKG (Stichting Kwaliteitscentrum Gevelelementen) naar inbraakwerendheid met 3, 2, 1 of geen sterren. Geen ster betreft sloten zonder specifieke braakwerendheid, 1 ster betreft sloten met een standaard inbraakwerendheid (3 minuten vertraging), 2 en 3 sterren hebben een extra zware inbraakwerendheid (5 minuten weerstand). Ook gevelelementen zijn volgens dit systeem door SKG geclassificeerd.
Denk erom dat een degelijk slot niet garant staat voor een goede bescherming van de gevel. Controleer daarom de gehele gevel op mogelijke zwakke plekken. Het komt voor dat inbrekers de ramen uit de sponningen kunnen halen als deze niet inpandig bevestigd zijn of van dievenklauwen voorzien zijn. Inbraak kan dan slechts een kwestie zijn van een paar schroeven eruit draaien.



kwaliteitsaanduiding: 1 ster: standaard inbraakwerend. 2 sterren: zwaar inbraakwerend. 3 sterren: extra zwaar inbraakwerend.
Stalen gevels en daken:
Stalen gevels en daken zijn met het juiste gereedschap eenvoudig te doorbreken. De praktijk leert dat zoiets met enige regelmaat gebeurt. Indien het inbraakrisico hoog is, dienen aanvullende maatregelen getroffen te worden om deze gevels en daken te beschermen. Onder het dak en op de wanden kan trildetectie geïnstalleerd worden en onder de daklichten traliewerk van betonijzer. Op het dak kan elektronische inbraakdetectie aangebracht worden (actief infrarood) bij voorkeur in combinatie met een of meerdere camera’s voor alarmverificatie.
Draairamen en deuren kunnen met magneetcontacten beveiligd worden. Indien deze geopend worden, wordt een alarm gegenereerd. Bedacht dient te worden dat deze contacten niet functioneren bij een inbraak door de gevel of via het dak.
Inbraakwerend glas:
Glas kan inbraakwerend gemaakt worden door toepassing van PVB folie (of carbonaat plaat). Het aantal folie en glaslagen is mede bepalend voor de braakwerendheid. Standaard inbraakwerend glas bijvoorbeeld bestaat uit een glasplaat van 4 mm, gevolgd door 2 PVB-folies en daarna weer een glasplaat van 4 mm. De taaie PVB-folies zorgen ervoor dat het glas wel versplinterd, maar niet uit elkaar valt. Op die manier blijft de doorgang voor inbrekers belemmerd. De sponning moet minimaal een gelijke sterkte hebben als de glasplaat.
Glassterkte wordt in de volgende weerstand klassen verdeeld: vandaalbestendig, inbraakwerend, kogelwerend, explosiewerend.

voorbeeld van inbraakwerend glas.

voorbeeld van een bouwkundige barrière. Rolluik aan de buitenzijde van het pand.

voorbeeld van een rolluik, maar nu aan de binnenzijde van het raam bevestigd. Bij het breken van het glas zal het elektronische inbraakdetectie systeem in alarm gaan. Vervolgens moet de inbreker nog door het rolluik om zijn slag te kunnen slaan. Dit is een betere inbraakbeveiliging dan een rolluik aan de buitenzijde van het pand te plaatsen.
Elektronische inbraakbeveiliging:
Naast de organisatorische en bouwkundige aspecten is de elektronische inbraakbeveiliging het derde wezenlijke (en meest bekende) onderdeel van inbraakbeveiliging.
Het hart van een elektronisch inbraaksysteem wordt gevormd door de centrale controle en stuureenheid (de inbraakmeldcentrale). Op deze centrale wordt alle randapparatuur aangesloten. Deze randapparatuur bestaat uit:
1. Bedieningspaneel
2. Inbraakdetectoren
3. Alarmgevers
4. Alarm doormeldapparatuur
1. Bediening
Alarmsystemen kunnen op een aantal verschillende manieren worden ingeschakeld. Dit zijn:
a. Codebediendelen
b. Sleutelbediendelen
c. Bloksloten
d. Schootcontacten
e. Draadloze zenders
a. Codebediendelen
Codebediendelen zijn er in drie varianten; met een LED uitlezing, met een vaste LCD uitlezing en met een variabele LCD uitlezing:
• LED uitlezing: van de gebruikte code bediendelen is dit de goedkoopste mogelijkheid. Het nadeel is echter dat de gebruikersvriendelijkheid te wensen over laat. Gewoon inschakelen gaat nog wel totdat er een keer een raam open blijft staan. Een lampje gaat branden en u weet niet wat het is. Voordat de groepenindeling gevonden is bent u geruime tijd verder;
• vaste LCD uitlezing: een aantal meldingen worden als tekst in telegramstijl uitgevoerd. Een raam dat open staat zal op het display verschijnen als openstaande groep. Ook hier bent u geruime tijd verder voordat u de groepenindeling hebt gevonden;
• variabele LCD uitlezing: dit is de meest gebruikersvriendelijke oplossing. In gewone taal wordt u verteld welk raam openstaat en er daarom niet ingeschakeld kan worden.
b. Sleutelbediendelen
Sleutelbediendelen worden zowel binnen als buiten toegepast. Sleutelbediendelen zijn handig als er veel gebruikers zijn en weinig codes beschikbaar of als de gebruikers niet bekend zijn met elektronische apparatuur. Gebruik echter altijd een gecertificeerde cilinder, dit om misbruik te voorkomen. Sleutelbediendelen worden zowel binnen als buiten toegepast. Als u een sleutelbediendeel buiten ophangt, zorg dan dat de sabotageschakelaar werkt en dat het systeem een alarm/storing doormelding naar een meldkamer heeft. Een sabotagepoging wordt dan opgemerkt. Indien dit ontbreekt, is het relatief eenvoudig om het sleutelbediendeel te manipuleren en het alarm af te schakelen.
c. Bloksloten
Een blokslot is niets meer dan een elektronisch slot. Als het alarm gereed is om in te schakelen dan kunt u het slot op slot draaien. Is het alarm niet gereed dan kunt u de schoot niet omdraaien en zult u moeten uitzoeken wat het probleem is. Dit kan lastig zijn. Het is op zich een goede, weinig toegepaste, manier om het systeem in te schakelen. De kans op inschakelfouten is namelijk erg klein.
d. Schootcontacten
Schootcontacten zijn schakelaars welke in de deurpost worden ingebouwd. Als u de deur afsluit wordt de schakelaar door de nachtschoot ingedrukt en uw systeem schakelt in. Als u de deur opent, opent ook de schakelaar en gaat het alarm uit. Als echter een inbreker deze deur opent dan opent hij ook het schootcontact en uw systeem schakelt uit.
e. Draadloze zender
Draadloze zenders, ook wel afstandbedieningen genoemd, zijn een makkelijke manier om het alarm te schakelen. Het probleem is echter dat een crimineel het signaal kan opvangen en kopiëren. Daarnaast is er met de afstandsbediening geen controle of het alarm wel echt ingeschakeld wordt.
2. Detectoren
Er zijn een groot aantal verschillende typen detectoren. We kunnen de detectoren indelen in de volgende categorieën:
a. Magneetcontacten
Het magnetische contact wordt gebruikt voor detectie op openingen zoals ramen, rolluiken en deuren. Het bestaat uit twee verende metalen (schakel)tongen, die op korte afstand van elkaar zijn ondergebracht in een hermetisch afgesloten omhulling waarin een stikstofatmosfeer heerst. Wanneer een dergelijk geheel in een magnetisch veld wordt gebracht zullen de schakeltongen naar elkaar toe worden getrokken, waardoor het contact gesloten wordt. Het magnetisch veld kan afkomstig zijn van zowel een permanente magneet als een elektromagneet. Een dubbelwerkend contact is een speciale uitvoering die nagenoeg sabotagevrij is. De contacten zijn verkrijgbaar in opbouw en inbouwmodellen. Voor metalen ramen en deuren zijn speciale typen verkrijgbaar.

voorbeeld van magneetcontacten voor deuren, ramen en garagedeuren.
b. Ruimtelijk werkende detectoren
Ruimtelijk werkende detectoren zijn de meest gebruikte detectoren. Zij worden ook wel bewegingsmelders genoemd. Een ruimtelijke werkende detector is gebaseerd op één van de volgende principes:
• PIR-detectoren
Passief Infra Rood, ook wel PIR-detectoren, worden het meest toegepast. Het werkingsprincipe van de PIR berust op het uitzenden van infrarood straling (warmte) door de mens. Deze melders zijn voorzien van een zogenaamd pyro element. Dit element is gevoelig voor infrarood straling en geeft een elektrische spanning af als binnen kort tijdsbestek een verschil in de ontvangen stralingsenergie optreed. Door de achterliggende elektronica wordt dan het signaal geanalyseerd.

voorbeeld van een PIR-detector.
• Ultrasenoordetectoren
Met een ultrasonoor systeem is het mogelijk een ruimte drie dimensionaal te beveiligen. Bij ultrasonore bewegingsmelders wordt uitgegaan van een geluidstrilling met een frequentie die boven het voor mensen hoorbare gebied (ca. 20 kHz tot 40 kHz) uitgaat. In de praktijk kiest men veelal een frequentie van ca. 36 kHz. Deze trilling wordt elektromechanisch voortgebracht. De hoeveelheid in trilling gebrachte lucht bepaalt de reikwijdte van de detector in de vrije ruimte. De door de zender geproduceerde trilling reflecteert tegen objecten in de beveiligde ruimte en de ontvanger registreert deze. Vinden in die ruimte bewegingen plaats naar de ontvanger toe of er vanaf, dan zal de ontvangen frequentie niet meer gelijk zijn aan de uitgezonden frequentie (Dopplereffect) en vindt signalering plaats. Speciale filters en balansschakelingen in de apparatuur zorgen ervoor dat effecten zoals vliegende insecten, wapperende gordijnen en in beperkte mate tochtverschijnselen geen nadelige invloed hebben op de goede werking van de apparatuur. Wel moet men rekening houden met ultrasonore geluidsbronnen in de omgeving (telefoon, bellen, TL-verlichting en dergelijke), die wel invloed hebben op de goede werking.
• Radar
Radar werkt, net zoals ultrasonore detectie, volgens het principe van het Dopplereffect. De frequentie van een radardetector ligt vele malen hoger dan die van een ultrasonore detector. Zij komt bovendien op een andere wijze tot stand. De ultrasonoor werkt met een elektromechanisch opgewekte frequentie. De radar zendt een elektromagnetisch bereikte frequentie uit met een bepaald vermogen. Daarom moet de radar voldoen aan de eisen die de PTT voor dergelijke apparatuur stelt. De radar bezit een zend- en ontvangstgedeelte. Het ontvangstgedeelte past frequentievergelijking toe, zoals dat ook bij ultrasonore systemen gebeurt. De radarapparaten zijn te gebruiken over een afstand van circa 2 tot 100 meter. De hoge frequentie heeft als kenmerken dat zij sterk reflecterend is en nogal doordringend kan zijn. Daarom moet bij de plaatsing van radardetectoren zeer nauwkeurig het juiste veld of het juiste bereik worden geregeld. Bovendien moet de voeding van de detector bijzonder stabiel zijn, anders kan een verlopende frequentie ontstaan met alle detectie- en storingsproblemen van dien.
• Combinatiedetectoren
Combinatiedetectoren bestaan uit twee detectiesystemen die zich in een behuizing bevinden. Er bestaan combinaties van passief infrarood met ultrasonore detectie (PIRUS) en passief infrarood met radardetectie (PIRA). In omgevingen waar ruimtelijke detectoren onnodige signalering kunnen veroorzaken, kunnen combinatie- of duo-detectoren een oplossing zijn. Vooral onder (extreme) storende omgevingsomstandigheden kan met deze detectoren nodeloze alarmering worden voorkomen. Elke detector heeft uiteraard zijn specifieke detectiegebied en moet ook apart worden ingesteld. Sommige combinatiedetectoren hebben de beschikking over analyserende elektronica, waarbij na een reactie van de ene detector de andere controleert of er inderdaad sprake is van een beweging in die ruimte. Sommige detectoren zijn tevens uitgerust met een voorziening die de afdekking en/of het uitvallen van een van beide technieken signaleert. Bedacht moet worden dat een combinatiedetector trager in alarm treedt als een enkelvoudige detector, beide detectiesystemen moeten namelijk in alarmtoestand komen voordat er een alarm doorgeven wordt.

voorbeeld van een combinatiedetector (radar/PIR).
• Anti masking detectoren
Anti masking detectoren hebben een extra veiligheid voorziening. Sabotage van deze detectoren door ze af te plakken of er een voorwerp voor te plaatsen is niet mogelijk. Dit type detector wordt in het algemeen aanbevolen en zeker bij bedrijven met een hoog inbraakrisico en bij bedrijven waarbij diverse ruimten voor het publiek toegankelijk zijn.

voorbeeld van een anti mask melder.
• Overige detectoren
Tenslotte zijn er nog andere detectoren. Hieronder enkele voorbeelden.

voorbeeld van een glasbreukmelder voor bevestiging op het raam.

voorbeeld van een glasbreukmelder.
3. Alarmgevers
Alarmgevers worden gebruikt om een alarmsituatie kenbaar te maken. Ze zijn verkrijgbaar in vele uitvoeringen. We maken onderscheid in binnensirenes, buitensirenes (eventueel met flitser) en flitsers.
4. Doormeldapparatuur
Doormelding van het alarm naar een Particulier Alarm Centrale (PAC) is essentieel voor de opvolging op een alarm en de controle op de daadwerkelijke inschakeling van de elektronische inbraakbeveiliging.
Doormelding betekent dat uw systeem via een telefoonlijn bij alarm een signaal verstuurd naar een PAC. De doormelding kan plaatsvinden volgens drie protocollen:
Voor telefonische diensten, waaronder alarmmeldingen zullen er veranderingen plaatsvinden. KPN heeft besloten (anno 2010) om de dienstverlening voor Analoge Vaste Verbindingen per 31 december 2011 te beëindigen. KPN gaat op termijn verder met het afbouwen van de onderstaande technisch verouderde datadiensten (die per 1 juli 2014 worden deze stopgezet):
• DigiAccess;
• Dedicated Access / Multi Access / X.75 (Datanet 1);
• DigiStream / MCTN (t/m 1.984 kbit/s).
KPN garandeert tot 1 januari 2015 de dienstverlening voor de volgende traditionele zakelijke vaste telefonie- en datadiensten:
Vaste telefoniediensten
• PSTN (analoge vaste telefoonaansluiting);
• ISDN.
Vaste datadiensten
• (City) Premium (Dual) Access, Standaard Access;
• DigiStream High Speed / BCTN;
• Managed Private Line;
• Standaard Digitaal.
KPN is momenteel bezig met de ontwikkeling van op IP en/of glas gebaseerde telefonie- en datadiensten die de functie van deze diensten op termijn volledig kunnen vervangen.